Rhino vastgesteld


24-02-2012 - Op bedrijven in Driel, Berg en Dal en in Heumen is de Rhinopneumonie-infectie vastgesteld. Op het bedrijf in Driel is de abortus variant en drie merries hebben als gevolg van het virus geaborteerd. Alle drie de bedrijven zijn gesloten.

Rhinopneumonie-infecties kunnen bij het paard griepachtige verschijnselen, abortus of neurologische verschijnselen (ataxie of verlamming) veroorzaken. Als een paard verdacht wordt van, of bewezen geïnfecteerd is met, rhinopneumonie (Equine Herpes Virus – EHV type 1 of 4) mag het niet naar een ander bedrijf worden gebracht, en zeker niet naar een plaats waar drachtige of te dekken merries staan. De luchtweginfectie is doorgaans niet heel ernstig. De neurologische vorm, waarvoor met name bepaalde stammen van het EHV type 1 verantwoordelijk zijn, geeft wel ernstige problemen.

 

Bij abortus, een dood geboren veulen of een binnen veertien dagen na geboorte ziek veulen, kan Equine Herpesvirus (EHV) een rol spelen. Om verspreiding te voorkomen, moeten de volgende acties worden ondernomen:

 

1. De behandelend dierenarts wordt direct op de hoogte gebracht en om advies gevraagd.

 

2. Als abortus optreedt of een veulen dood wordt geboren geldt:

a. De merrie wordt strikt geïsoleerd .

b. In samenwerking met de behandelende dierenarts worden monsters (of de gehele dode vrucht + vruchtvliezen) verzameld en verstuurd naar een gecertificeerd laboratorium voor een analyse van de oorzaak. De vrucht en vruchtvliezen worden strikt hygiënisch behandeld (dubbel verpakken in lekvrij materiaal), omdat ze erg besmettelijk zijn (bevatten heel veel virus).

c. De verzorger van de merrie mag geen contact met andere drachtige merries hebben.

 

3. Voor veulens die binnen veertien dagen na de geboorte heel ziek worden:

a. Merrie en veulen worden strikt geïsoleerd .

b. In samenwerking met de behandelende dierenarts worden monsters verzameld en verstuurd naar een gecertificeerd laboratorium voor het aantonen van een EHV besmetting. Deze materialen moeten strikt hygiënisch behandeld worden, omdat ze erg besmettelijk kunnen zijn.

c. De verzorger van de merrie met veulen mag geen contact met andere drachtige merries hebben.

 

4. Paarden mogen niet van het paardenbedrijf af. Er mogen geen drachtige merries op het bedrijf komen voordat duidelijk is dat het géén EHV is.

 

5. De bodembedekking moet gedesinfecteerd en afgevoerd worden. De huisvesting, de materialen en de vervoersmiddelen moet schoon en gedesinfecteerd zijn. De dierenarts kan hierin adviseren.

 

Hieronder worden de verschillende stappen besproken die bij de verschillende scenario's gevolgd moeten worden:

 

Als de abortusvorm of de neurologische vorm van EHV daadwerkelijk is bewezen,

 

1. Als de laboratorium resultaten EHV bevestigen, worden drachtige merries die contact hebben gehad met de bewezen EHV besmette merrie apart gehouden van de andere merries en indien mogelijk in kleine groepen verdeeld, om de verspreiding van het virus zoveel mogelijk tegen te gaan. Als de EHV merrie al in een kleine groep stond met andere drachtige merries, is het handig om de groep zo mogelijk in nog kleinere groepen te verdelen. Bij een volgende abortus worden daarmee het aantal contactdieren en de mogelijke vervolgschade beperkt.

 

2. De isolatie- en hygiëneregels blijven minimaal 28 dagen in stand. Ook mag er geen transport van of naar het bedrijf plaats vinden.

 

3. Niet-drachtige merries die op het bedrijf aanwezig zijn, mogen pas 28 dagen na de abortus van het bedrijf af. Dit onder voorwaarde dat ze minimaal 56 dagen van drachtige merries gescheiden blijven. Onder de volgende voorwaarden kunnen deze merries al eerder dan 28 dagen van het bedrijf worden vervoerd:

a. Als ze geïsoleerd zijn geweest van drachtige merries en als ze door apart personeel zijn verzorgd.

b. Als in gepaarde sera (twee bloedafnames genomen met veertien dagen interval) aangetoond wordt dat ze niet geïnfecteerd zijn.

c. Als er geen bewijs is dat de infectie zich heeft verspreid.

 

4. Drachtige merries, blijven op het bedrijf tot ze veulenen.

 

5. Merries die hebben geaborteerd blijven minimaal 56 dagen na de abortus geïsoleerd van drachtige merries.

 

6. Merries die drachtig terugkomen van een EHV bedrijf veulenen in het jaar erna thuis in isolatie om een eventuele nieuwe uitbraak te voorkomen.

Als de hengsten-unit volledig gescheiden is (op een K.I. station) van de drachtige merries en deze unit door apart personeel wordt verzorgd, kunnen bezoeken van merries van buiten aan deze unit wel worden toegestaan. Deze merries komen puur voor inseminatie, komen niet in contact met andere merries en gaan daarna weer naar huis.

 

Als paarden verdacht worden van de neurologische vorm van EHV:

1. Vraag direct de dierenarts om advies.

2. Op een dekstation: stop direct met alle dekactiviteiten.

3. Stop alle transport van en naar het bedrijf voor minimaal 28 dagen.

4. In samenwerking met de behandelende dierenarts moeten monsters worden verzameld om naar een laboratorium te sturen voor analyse.

5. Houdt drachtige merries apart.

6. Laat geen andere paarden en zeker geen drachtige merries op het bedrijf komen als EHV nog niet is uitgesloten als veroorzaker van de neurologische symptomen.

7. De huisvesting, de materialen en de vervoersmiddelen moeten schoon en gedesinfecteerd zijn. De dierenarts kan hierin adviseren.


Als de neurologische vorm van EHV daadwerkelijk is gediagnosticeerd:

Er moet met de behandelend dierenarts een behandelplan worden gemaakt. Hierbij hoort ook het screenen van paarden. Individuele dieren moeten worden geïsoleerd, zeker alle drachtige merries.

 

In alle bovenstaande situaties is communicatie erg belangrijk. Als de communicatie niet efficiënt verloopt, kan de infectie zich snel verder verspreiden. De eigenaar/paardenhouder moet de volgende personen of instanties informeren:

 

o Eigenaren met paarden die op het bedrijf staan of binnenkort aangevoerd zouden worden.

o Eigenaren die in de afgelopen 14-28 dagen paarden van het bedrijf hebben opgehaald.

o Andere bedrijven waar paarden naar toe gegaan zijn na een bezoek aan het EHV bedrijf.

o Andere bedrijven waar paarden naar toegegaan zijn minder dan 28 dagen geleden.

o Andere bedrijven waar drachtige merries naar toegestuurd zijn na hun bezoek minder dan 28 dagen geleden aan het EHV bedrijf.

 

Vaccinatie tegen EHV is mogelijk en dit kan het beste met de eigen dierenarts worden overlegd. De vaccinatie moet plaatsvinden conform de aanbevelingen van de fabrikant, meestal minstens twee maal per jaar en dan bij alle paarden op het bedrijf. EHV vaccinatie geeft geen volledige bescherming tegen de abortusvorm, individuele gevallen kunnen toch nog voorkomen. Voor zover bekend beschermt de vaccinatie niet tegen de neurologische vorm. Op dit moment claimt geen van de beschikbare vaccins ook te beschermen tegen de neurologische vorm van EHV.

 

Bron: Sectorraad paarden